Opeens was er dat geluid weer. Jaren en jaren was het niet meer in me opgekomen. En ik lag er als kind aan boord nog wel zo vaak op weg te dromen, in mijn breeduitgemeten, tweepersoons opklapbed. Dat geluid. Ik had er zo lang niet meer aan gedacht. Totdat mijn broertje het mij vandaag in herinnering bracht.

Her-inneren. Een gedachte, een

vroeger-gevoel. Gelijk een gebed maakt het zich indachtig. Opeens was er dat geluid weer, uit het diepe opgedoken: het slaan van de roeren. De roeren van onze Frankie-A, het geluid waar ik zo vaak vredig op ingedommeld was. Pa, onze piloot, stond in de stuurhut, ik kon veilig gaan slapen om naar hem te luisteren; naar die geluiden uit het grote drumstel van de rivier. De grote, trillende, grommende en boos stompende roeren die het water dun voeren. Toch hield ik er van als klein kind, van die gorgelende geluiden uit dat roerdroomdonderland. Zelfs al klonk het soms alsof een grote boze waterklopgeest, het roerwerk met zijn grote klauwen had omvat, om er bakboord aan te geven terwijl pa stuurboord gaf.

roerdroomdonderland